Bruch

zelfstandig naamwoord
  1. Een breuk of barst in een object of structuur. zelfstandig naamwoord
    De Bruch in het glas was duidelijk zichtbaar na de val.
    Er was een Bruch in de muur na de aardbeving.
  2. Een verstoring of onderbreking van een continuïteit. zelfstandig naamwoord
    Er was een Bruch in de communicatie tussen de teams.
    De Bruch in de stroomvoorziening duurde enkele uren.