Bruch
- Een breuk of barst in een object of structuur. zelfstandig naamwoordDe Bruch in het glas was duidelijk zichtbaar na de val.Er was een Bruch in de muur na de aardbeving.
- Een verstoring of onderbreking van een continuïteit. zelfstandig naamwoordEr was een Bruch in de communicatie tussen de teams.De Bruch in de stroomvoorziening duurde enkele uren.