Erschrecken

werkwoord
  1. Het plotseling bang maken of laten schrikken van iemand. werkwoord
    Hij probeerde zijn zus te erschrecken door zich achter de deur te verstoppen.
    De harde knal van het vuurwerk deed haar erschrecken.
  2. Het zelf plotseling bang worden of schrikken. werkwoord
    Ze erschrok toen ze een schaduw in de donkere gang zag.
    Hij erschrok van het onverwachte geluid achter hem.