Jack

zelfstandig naamwoord
  1. Een kort, sportief jasje dat meestal tot de heupen reikt. zelfstandig naamwoord
    Hij droeg een leren jack tijdens de motorrit.
    In de herfst draag ik vaak een jack over mijn trui.
  2. Een stekker of aansluiting voor elektrische of elektronische apparaten, vaak gebruikt voor audioapparatuur. zelfstandig naamwoord
    De koptelefoon is aangesloten met een 3,5 mm jack.
    Ik heb een adapter nodig voor de jack van mijn gitaar.