Rot

zelfstandig naamwoord
  1. Een groep mensen of dieren, vaak in een militaire of georganiseerde context. zelfstandig naamwoord
    De rot marcheerde door de straten tijdens de parade.
    In het leger werd hij toegewezen aan een nieuwe rot.
  2. Een toestand van verval of bederf, vaak gebruikt om de staat van voedsel of materiaal aan te duiden. zelfstandig naamwoord
    De appels begonnen te rot na een week in de zon.
    Er was een vieze geur in de kelder door het rot van het hout.
  3. Een informele uitdrukking om aan te geven dat iets vervelend of onaangenaam is. bijvoeglijk naamwoord
    Wat een rot weer vandaag!
    Hij had een rot dag op het werk.
  4. Het proces van vergaan of bederven, vaak gebruikt in de context van organisch materiaal. werkwoord
    Het fruit begon te rotten in de zon.
    Als je het vlees niet in de koelkast bewaart, zal het snel rotten.