Rutsch

zelfstandig naamwoord
  1. Een plotselinge, snelle beweging of glijpartij, vaak geassocieerd met een val of het verliezen van grip. zelfstandig naamwoord
    Tijdens de winter maakte hij een flinke rutsch op het ijs.
    De kinderen hadden veel plezier op de heuvel en maakten een rutsch naar beneden.
  2. Een informele term voor een grote hoeveelheid of een reeks van iets. zelfstandig naamwoord
    Er kwam een hele rutsch aan klachten binnen na de storm.
    Ze ontving een rutsch aan kaarten voor haar verjaardag.