Strich
- Een lijn of streep die getrokken is, vaak gebruikt in de context van tekenen of markeren. zelfstandig naamwoordHij trok een strakke strich op het papier met zijn potlood.De schilder gebruikte een dikke strich om de contouren van het landschap te benadrukken.
- Een gebied of straat waar prostitutie plaatsvindt, vaak gebruikt in de context van een rosse buurt. zelfstandig naamwoordDe politie hield toezicht op de strich om illegale activiteiten te voorkomen.Ze werkt al jaren op de strich, maar hoopt binnenkort een andere baan te vinden.