big

zelfstandig naamwoord
  1. Een jong varken. zelfstandig naamwoord
    Op de boerderij hebben ze een nieuw big gekregen.
    Het big lag te slapen naast de zeug.
  2. Een grote hoeveelheid of omvang (informeel, afgeleid van het Engelse 'big'). bijvoeglijk naamwoord
    Dat is een big probleem dat we moeten oplossen.
    Ze hebben een big feest georganiseerd voor haar verjaardag.