big
- Een jong varken. zelfstandig naamwoordOp de boerderij hebben ze een nieuw big gekregen.Het big lag te slapen naast de zeug.
- Een grote hoeveelheid of omvang (informeel, afgeleid van het Engelse 'big'). bijvoeglijk naamwoordDat is een big probleem dat we moeten oplossen.Ze hebben een big feest georganiseerd voor haar verjaardag.