broma

zelfstandig naamwoord
  1. Een grap of scherts, vaak bedoeld om te lachen of te entertainen. zelfstandig naamwoord
    Hij maakte een broma om de spanning te breken.
    De broma viel niet bij iedereen in de smaak.
  2. Een lichte, vaak humoristische opmerking of actie die niet serieus bedoeld is. zelfstandig naamwoord
    Ze maakte een broma tijdens de vergadering om de sfeer te verlichten.
    Zijn broma zorgde voor een lach in de klas.