el

zelfstandig naamwoord
  1. Een oude lengtemaat die ongeveer gelijk is aan de lengte van een onderarm, variërend van 55 tot 75 centimeter, afhankelijk van de regio en periode. zelfstandig naamwoord
    De stof werd verkocht per el.
    In de middeleeuwen was de el een veelgebruikte maat voor het meten van textiel.
  2. Een lichaamsdeel, namelijk de elleboog. zelfstandig naamwoord
    Hij stootte zijn el tegen de deurpost.
    Ze droeg een verband om haar el na de val.