false

bijvoeglijk naamwoord
  1. Onjuist of niet waar; iets dat niet overeenkomt met de werkelijkheid of de waarheid. bijvoeglijk naamwoord
    De verklaring van de getuige bleek false te zijn.
    Het gerucht dat de school zou sluiten was false.
  2. Misleidend of bedrieglijk; bedoeld om iemand op het verkeerde been te zetten. bijvoeglijk naamwoord
    De oplichter gebruikte false documenten om zijn identiteit te verbergen.
    De reclame maakte false claims over de effectiviteit van het product.