hei
- Een gebied met heideplanten, vaak gekenmerkt door een open landschap met struikgewas en weinig bomen. zelfstandig naamwoordWe maakten een lange wandeling over de hei.In de zomer staat de hei prachtig in bloei.
- Een informele begroeting, vergelijkbaar met 'hallo'. tussenwerpselHei, hoe gaat het met je?Toen ik de kamer binnenkwam, zei iedereen 'hei'.