hij

persoonlijk voornaamwoord
  1. Persoonlijk voornaamwoord dat verwijst naar een mannelijke persoon of mannelijk dier. persoonlijk voornaamwoord
    Hij loopt naar de winkel.
    Als hij klaar is met werken, komt hij naar huis.
  2. Apparaat of mechanisme dat wordt gebruikt om zware voorwerpen op te tillen, zoals een hijskraan. zelfstandig naamwoord
    De hijs werd gebruikt om de zware balken omhoog te tillen.
    Bij de bouw van het gebouw werd een grote hij ingezet.