Het bovenste deel van het lichaam van een mens of dier, waarin zich de hersenen, ogen, oren, neus en mond bevinden. zelfstandig naamwoord
Hij heeft een pet op zijn kop.
De hond draaide zijn kop naar het geluid.
Een drinkgerei, meestal van aardewerk of porselein, met een oor, gebruikt voor het drinken van warme dranken zoals koffie of thee. zelfstandig naamwoord
Zij schonk een kop koffie in voor haar gast.
Ik heb een nieuwe kop gekocht voor mijn verzameling.
De bovenkant of het bovenste deel van iets. zelfstandig naamwoord
De kop van de krant bevatte groot nieuws.
De kop van de pagina was versierd met een logo.
Een informele term voor een hoeveelheid of portie, vaak gebruikt in de context van eten of drinken. zelfstandig naamwoord
Hij nam nog een kop soep.
Ze vroeg om een halve kop suiker voor het recept.