leer

zelfstandig naamwoord
  1. Materiaal gemaakt van de huid van dieren, vaak gebruikt voor kleding, schoenen en meubels. zelfstandig naamwoord
    De jas is gemaakt van echt leer.
    Hij kocht een nieuwe leren bank voor in de woonkamer.
  2. Een systeem van ideeën of overtuigingen, vaak in een religieuze of filosofische context. zelfstandig naamwoord
    De leer van Boeddha is gebaseerd op mededogen en wijsheid.
    Hij bestudeert de leer van de oude Griekse filosofen.
  3. Het proces van kennis of vaardigheden verwerven door studie, ervaring of onderwijs. zelfstandig naamwoord
    Het leerproces kan soms uitdagend zijn.
    Zij is bezig met het leren van een nieuwe taal.
  4. De handeling van het onderwijzen of instrueren. zelfstandig naamwoord
    Hij heeft veel plezier in het leer van zijn studenten.
    Het leer van kinderen vereist geduld en creativiteit.
  5. De stam van het werkwoord 'leren', wat betekent kennis of vaardigheden verwerven. werkwoord
    Ik leer elke dag iets nieuws.
    Zij leer snel en is altijd nieuwsgierig.