mantel

zelfstandig naamwoord
  1. Een kledingstuk dat over de andere kleding wordt gedragen, meestal met lange mouwen en vaak met een sluiting aan de voorkant. zelfstandig naamwoord
    Hij droeg een dikke mantel om zich te beschermen tegen de kou.
    De mantel van de koningin was versierd met goud en edelstenen.
  2. Een beschermende of bedekkende laag om iets heen. zelfstandig naamwoord
    De mantel van de aarde bestaat uit gesmolten gesteente.
    De mantel van de lamp was gemaakt van glas.
  3. Een figuurlijke term voor iets dat iets anders bedekt of verbergt. zelfstandig naamwoord
    Onder de mantel der liefde werd zijn fout vergeven.
    De mantel van geheimhouding werd over de zaak gelegd.