mat

zelfstandig naamwoord
  1. Een vlak stuk materiaal dat gebruikt wordt om een vloer te bedekken of als ondergrond voor bepaalde activiteiten. zelfstandig naamwoord
    Ik legde een mat bij de voordeur om vuil van schoenen op te vangen.
    De yogamat biedt comfort tijdens het uitvoeren van oefeningen.
  2. Een toestand in het schaakspel waarbij de koning van de tegenstander aangevallen staat en niet kan ontsnappen. zelfstandig naamwoord
    Met een slimme zet zette hij zijn tegenstander schaakmat.
    Het spel eindigde in een mat na een lange strijd.
  3. Een oppervlak dat niet glanst of reflecteert. bijvoeglijk naamwoord
    De muurverf heeft een matte afwerking die het licht niet weerkaatst.
    Ze koos voor een matte lak op haar nagels voor een subtiele uitstraling.