Kracht of vermogen om iets te doen of te beïnvloeden, vaak in de context van fysieke of mentale energie. zelfstandig naamwoord
De power van de motor is indrukwekkend.
Ze heeft de power om mensen te inspireren.
Elektrische energie die gebruikt wordt om apparaten te laten werken. zelfstandig naamwoord
De power is uitgevallen tijdens de storm.
We hebben meer power nodig om de machines te laten draaien.
Invloed of autoriteit over anderen, vaak in een politieke of sociale context. zelfstandig naamwoord
De president heeft veel power in het land.
Hij streeft naar meer power binnen de organisatie.