raam

zelfstandig naamwoord
  1. Een opening in een muur of dak, meestal voorzien van glas, waardoor licht naar binnen kan komen en men naar buiten kan kijken. zelfstandig naamwoord
    Ik opende het raam om frisse lucht binnen te laten.
    Het uitzicht vanuit het raam van mijn slaapkamer is prachtig.
  2. Een frame of structuur die iets ondersteunt of omkadert, zoals bij een weefgetouw of een schilderij. zelfstandig naamwoord
    De schilderij zat stevig in een gouden raam.
    Ze spande de stof op het raam van het weefgetouw.
  3. Een tijdsperiode of een reeks van gebeurtenissen die een bepaalde context of kader vormen. zelfstandig naamwoord
    Het project moet binnen het raam van zes maanden worden voltooid.
    In het raam van de vergadering werden verschillende onderwerpen besproken.