Met een dunne rand of punt die gemakkelijk door dingen heen kan snijden of prikken. bijvoeglijk naamwoord
Het mes is erg scherp, dus wees voorzichtig tijdens het snijden.
De doorn van de roos is scherp en kan pijn doen als je hem aanraakt.
Zeer duidelijk en precies in vorm of detail. bijvoeglijk naamwoord
De foto is zo scherp dat je elk detail kunt zien.
Zijn scherpe blik ontgaat niets.
Intelligent en snel in het begrijpen of reageren. bijvoeglijk naamwoord
Hij heeft een scherpe geest en kan complexe problemen snel oplossen.
Ze maakte een scherpe opmerking tijdens de discussie.
Intens van smaak of geur, vaak prikkelend of bijtend. bijvoeglijk naamwoord
De kaas heeft een scherpe smaak die niet iedereen lekker vindt.
De scherpe geur van de specerijen vulde de keuken.
Streng of streng van aard of toon. bijvoeglijk naamwoord
De leraar gaf een scherpe waarschuwing aan de studenten.
Zijn scherpe kritiek werd niet door iedereen gewaardeerd.