shriek

zelfstandig naamwoord
  1. Een scherpe, hoge kreet of gil, vaak uit angst of pijn. zelfstandig naamwoord
    Ze slaakte een shriek toen ze de muis zag.
    De shriek van de vogel klonk door het bos.
  2. Het maken van een scherpe, hoge kreet of gil. werkwoord
    Hij shriekte van schrik toen de deur plotseling dichtsloeg.
    De kinderen shriekten van plezier op de kermis.