sluiting

zelfstandig naamwoord
  1. Het proces of de handeling van iets sluiten of dichtdoen. zelfstandig naamwoord
    De sluiting van de winkel vindt plaats om 18:00 uur.
    Na de sluiting van de vergadering gingen alle deelnemers naar huis.
  2. Een mechanisme of apparaat dat iets gesloten houdt. zelfstandig naamwoord
    De sluiting van de jas is kapot, dus ik kan hem niet dichtdoen.
    De tas heeft een stevige sluiting om te voorkomen dat er iets uitvalt.
  3. Het beëindigen of afronden van een proces of periode. zelfstandig naamwoord
    De sluiting van het boekjaar vindt plaats in december.
    Na de sluiting van het project werd er een feest georganiseerd.