tent

zelfstandig naamwoord
  1. Een draagbare constructie van doek of ander materiaal, gespannen over een frame van stokken, gebruikt als tijdelijke schuilplaats of verblijfplaats. zelfstandig naamwoord
    We zetten de tent op in het bos voor het weekend.
    Tijdens het festival sliepen we in een tent op de camping.
  2. Informele benaming voor een café, bar of uitgaansgelegenheid. zelfstandig naamwoord
    We gaan vanavond naar die nieuwe tent in de stad.
    De tent zat helemaal vol tijdens het concert.