tip

zelfstandig naamwoord
  1. Een klein stukje informatie dat nuttig kan zijn, vaak als advies of suggestie. zelfstandig naamwoord
    Hij gaf me een tip over hoe ik mijn fiets sneller kan repareren.
    Ze kreeg een tip van een vriend over een goede restaurant in de buurt.
  2. Een klein bedrag geld dat als fooi wordt gegeven aan iemand voor verleende diensten. zelfstandig naamwoord
    Na de maaltijd gaf hij de ober een tip voor de goede service.
    Ze was blij met de tip die ze van de klant kreeg na de taxirit.
  3. De punt of het uiteinde van iets. zelfstandig naamwoord
    De tip van de ijsberg is vaak het enige dat zichtbaar is.
    Hij raakte per ongeluk de tip van het mes aan en sneed zich.
  4. Een lichte aanraking of tik. zelfstandig naamwoord
    Met een tip van zijn hoed groette hij de voorbijgangers.
    Ze gaf de bal een tip met haar voet om hem in beweging te brengen.