vat

zelfstandig naamwoord
  1. Een groot, meestal cilindervormig voorwerp dat gebruikt wordt om vloeistoffen of andere materialen in op te slaan. zelfstandig naamwoord
    De wijn werd jarenlang in houten vaten gerijpt.
    Ze kochten een vat olie voor de winter.
  2. De handeling van iets vastpakken of grijpen. werkwoord
    Hij vat de bal stevig vast.
    Ze vatte de situatie snel en handelde adequaat.
  3. Een begrip of idee begrijpen of bevatten. werkwoord
    Ik vat niet waarom hij zo boos is.
    Ze vatte het concept na een lange uitleg.