vat
- Een groot, meestal cilindervormig voorwerp dat gebruikt wordt om vloeistoffen of andere materialen in op te slaan. zelfstandig naamwoordDe wijn werd jarenlang in houten vaten gerijpt.Ze kochten een vat olie voor de winter.
- De handeling van iets vastpakken of grijpen. werkwoordHij vat de bal stevig vast.Ze vatte de situatie snel en handelde adequaat.
- Een begrip of idee begrijpen of bevatten. werkwoordIk vat niet waarom hij zo boos is.Ze vatte het concept na een lange uitleg.